Scholen moeten steeds vaker kiezen: de klas naar...
Vanaf maandag 6 december ontvangen alle basisscholen...

Taaltip: eropin spelen /er opin spelen /erop inspelen

17-11-2021
Erop inspelen is met een spatie tussen erop en inspelen: 'We willen erop inspelen.'

In maakt deel uit van het werkwoord inspelen. Bij inspelen hoort het voorzetsel op: 'Ze kunnen goed inspelen op de situatie.' Dat voorzetsel op kan aan er, daar, hier of waar vast worden geschreven: 'Waarop spelen ze in?'

Wanneer schrijf je eraan en wanneer er aan? En als er nog meer woorden bij staan, zoals toe en komen: wat moet er aan elkaar in er aan toe komen?

Eraan toekomen is juist. Toe maakt deel uit van het werkwoord toekomenAan vormt een geheel met er. Eraan verwijst naar iets in de context, bijvoorbeeld 'aan een klus (toekomen)'. 

Het is eraan toekomen en bijvoorbeeld 'Ik kom er straks aan toe', 'Ze hoopt dat ze eraan toekomt' en 'Denk je eraan toe te komen?'

Dit zijn de hoofdregels voor het aan elkaar of los schrijven van er (en hierdaar en waar) en een voorzetsel:

  • Schrijf erdaarhier en waar vast aan het voorzetsel dat erachter staat: eraan gewend zijnhierbij zijndaarvoor kiezenwaaruit bestaat dit plan?, enz.
  • Als er nog een voorzetsel in de zin voorkomt, ga dan na of dat bij het werkwoord in de zin hoort. Dat is bijvoorbeeld wel het geval in Ik sluit me erbij aan. Aan blijft los staan van erbij, want het is aansluiten bij iets. In 'Ze ging erover door, maar ik luisterde al niet meer' blijft door los staan, want het is doorgaan over iets.
  • Als het andere voorzetsel niet bij het werkwoord hoort, komt het ook aan de combinatie met er vast. Bijvoorbeeld: Ik ga ervandoor (want het is ervandoor gaan) en We willen eropuit (want het is eropuit willen).

De regels stap voor stap

1. Er / hier / daar / waar aan een voorzetsel vast

De bijwoorden erdaarhier en waar schrijf je meestal vast aan het voorzetsel dat erachter staat (zie punt 3 voor uitzonderingen). Die combinatie van er + voorzetsel verwijst dan naar iets in de zin of de context. 'Er/daar/hier/waar + voorzetsel' betekent iets als 'voorzetsel + dat/dit/wat'. Voorbeelden:

  • Ella kijkt naar de optocht. Ella kijkt ernaar.
  • Naar wat kijkt Ella? Waarnaar kijkt Ella?
  • Maurice leert van zijn fouten. Maurice leert ervan.
  • Van deze fouten zal hij wel leren. Hiervan zal hij wel leren.
  • Zijn collega's keken wel op van die rare stropdasDaar keken zijn collega's wel van op.
  • Ik heb je gewaarschuwd voor de harde tegenwind. Daarvoor heb ik je gewaarschuwd. 

Het voorzetsel maakt in deze zinnen geen deel uit van het werkwoord. Het hoort ook niet bij een ander deel van de zin. De grammaticale term voor woorden als ervanhiervoordaarover en waartussen is 'voornaamwoordelijk bijwoord'.

Opmerkingen

  • Zo'n combinatie van er/hier/daar/waar, een voorzetsel en een werkwoord heeft in vrij veel gevallen een vaste, figuurlijke betekenis. Denk aan erbij komen ('Hoe kom je erbij?') - dat is niet meer letterlijk 'bij iets komen'.
  • Na er/hier/daar/waar kan in plaats van een voorzetsel ook een bijwoord staan. Het gaat om de bijwoorden afheenmeetoe en vandaaneraf slaandaarheen gaanhiermee worstelenertoe doenwaarvandaan
  • Soms hoort het voorzetsel niet bij het werkwoord, maar wél bij een ander deel van de zin dat direct achter het voorzetsel staat. Ook dan mag je het voorzetsel niet aan erdaarhier en waar vast schrijven. Voorbeelden:
    • Hoe ziet het er bij jou op het werk uit? (bij jou hoort bij elkaar)
    • Ik moet daar voor mezelf nog goed over nadenken. (voor mezelf hoort bij elkaar)

2. Voorzetsel wel of niet aan werkwoord vast

Als een voorzetsel onderdeel is van een werkwoord, mag je het niet aan er of een ander voorzetsel vast schrijven. Bijvoorbeeld:

  • erbij optellen: Ik tel de reiskosten erbij op. (op hoort bij het werkwoord optellen en blijft los staan van erbij; het is optellen bij iets, bijvoorbeeld bij het totaalbedrag optellen)
  • ervan uitgaan: Ik ga ervan uit dat je zelf handdoeken meeneemt. (uit hoort bij het werkwoord uitgaan en blijft los staan van ervan; het is uitgaan van ietsuitgaan van een gedachte)
  • ervoor doorgaan: De buurvrouw heeft een trui gebreid, of in elk geval iets wat ervoor doorgaat. (door hoort bij het werkwoord doorgaan en blijft los staan van ervoor; het is voor iets doorgaan, in dit geval doorgaan voor een trui)

Om zulke combinaties te analyseren, moet je bekijken om welk werkwoord het in de zin gaat. Woordenboeken noemen een combinatie van een voorzetsel en een werkwoord overigens nog weleens één werkwoord, terwijl dat grammaticaal niet altijd goed te verdedigen valt.

  • er ingaan (Van Dale): ergens naar binnen gaan - Ik zag hem het huis ingaan. Ik zag hem er ingaan.
  • erin gaan (Taaladviesdienst): in = voorzetsel (hier als achterzetsel), gaan = werkwoord - Ik zag hem het huis in gaan. Ik zag hem erin gaan. (Erin = 'in het huis', 'het huis in'.)

Een voorzetsel wordt overigens (bijna) nooit aan zijnwillenkunnen of mogen vast geschreven; daarom is het bijvoorbeeld erover uit zijn en ermee door kunnen.

Tot slot zijn er ook voorzetselcombinaties die samen een eenheid vormen (vanuitvanafnaartoe), of die gecombineerd met er een vaste betekenis hebben gekregen (ervandooreropuit). 

3. Er / hier / daar / waar los van voorzetsel en/of werkwoord

Het bijwoord er kan ook een andere functie in de zin hebben. Vaak is het een zogeheten 'plaatsonderwerp' en hoort het voorzetsel niet bij er maar bij een zelfstandignaamwoordgroep of bij het werkwoord:

  • Wat zit er achter zijn gedrag? (achter zijn gedrag is één geheel)
  • Wat komt er achter die wand? (achter die wand is één geheel)
  • Momenteel zijn er van ons zessen drie collega's met vakantie. (van ons zessen hoort bij elkaar)
  • Ik wist niet dat de wedstrijd al begonnen was - wie staat er voor? (voor en staat horen bij elkaar)

Als de woorden erhierdaar en waar een letterlijke betekenis hebben ('op die plek', 'op deze plek', 'op welke plek'), dan zijn het losse bijwoorden.

  • We vliegen morgen naar Wenen; het is de bedoeling dat we er (= op die plek, in Wenen) aankomen om twaalf uur.
  • Wilt u hier (= op deze plek) ondertekenen?
  • Of het EK daar (= op die plaats) doorgaat, is nog onzeker.
  • Waar (= op welke plek, op welk gebied) voorzag de minister precies een probleem?

Maar ook de voornaamwoordelijke bijwoorden ervanhierdooreroverwaartussen e.d. kunnen gescheiden in de zin staan: erbij, van erbij kunnen, staat bijvoorbeeld apart in 'Ik kan er niet bij.' Als het in een zin mogelijk is om het er-woord bij elkaar te houden maar er kan óók iets tussen staan, kies dan wat het natuurlijkst klinkt. Er is geen regel die voorschrijft dat bijeenhouden beter is.

  • Het bedrijf had al eerder ervoor gekozen om uit Nederland te vertrekken.
  • Het bedrijf had er al eerder voor gekozen om uit Nederland te vertrekken.